Home Film Vondsten Actueel Eemster Vermaning APAN/EXTERN Contact Links
 
STOF-ZANDSTORM TIJDENS DE GROTE DROOGTE IN AMERIKA - 1934
ABRASIE OP VELDKEI ONNERWEG HAREN (GNG)

Kant 1. Het fraaiste voorbeeld van wat wind beladen met zand en stof, abrasie, met artefacten doet die lange tijd aan de oppervlakte hebben gelegen, is deze vuistbijl uit de Sahara, het ultieme gebied voor zandstormen. Een zandstorm kan ook nogal wat schade aanrichten aan bv. auto's, vooral als er sprake is van een echte zandstorm, met tot 2 meter hoogte opspringende zandkorrels. Daardoor wordt alles langzaam maar zeker gezandstraald. Is de windsnelheid hoog, dan is binnen 48 uur alle lak van de carrosserieën geschuurd. Bovendien zijn de ruiten mat en ondoorzichtig, zodat ze verwijderd moeten worden om verder te kunnen rijden. De vuistbijl-windkanter van de foto heeft ongetwijfeld meerdere van dergelijke stormen meegemaakt. De bijl was enige tijd geleden te koop op ebay. De gepresenteerde vuistbijl is als zodanig nog maar nauwelijks te herkennen. Hij zal dan ook wel niet verkocht zijn. Er is enige glans zichtbaar, maar dit moet niet verward worden met windlak dat een doorzichtig afzettingslaagje is dat hyaliet genoemd wordt en een chemische oorsprong heeft. De omtrekvorm van de bijl is nog ongewijzigd, maar van de afslagnegatieven is niet veel meer overgebleven. De grote zandstraalmachine heeft alle opstaande ribben weg geblazen, geabradeerd. Vanaf de punt links, splitsen twee vlakken zich bij de lichter gekleurde verhoging en die heeft een driehoekvorm gelijk als op windkanters het geval is. Vooral het vlak dat bovenlangs loopt heeft een duidelijke scheidingsrand, ook gelijk als op een windkanter.

Hyaliet op witte vuursteen. Govert van Noort heeft in diverse publicaties het begrip windlak verklaard. Uit zijn onderzoeken blijkt dat hyaliet een doorzichtig afzettingslaagje is op (vuur)steen. Het bestaat uit zuiver silicium en kan alleen ontstaan in een koud kalkrijk milieu daar silicium dan redelijk goed oplosbaar is. In onze streken was dit milieu hier voor het laatst aanwezig tijdens het afsmelten van het landijs van de Saalegletsjers (125.000 BP). In de opvolgende warme periode van het Eeemien verzuurde de bodem binnen enkele honderden jaren door plantengroei, hierdoor ontkalkte de bodem met als gevolg dat silicium nauwelijks nog kon oplossen en daardoor kon er geen hyaliet meer afgezet worden op stenen. Dit is nu nog zo. Artefacten met hyaliet op het oppervlak kunnen dus nooit uit de periode van het Eemien of daarna stammen, maar moeten ouder gedateerd worden. Typologisch moeten ze dan natuurlijk wel passen binnen de toolkit van die oudere culturen. Van Noort heeft ook hier onderzoek naar gedaan en daaruit bleek dat al de bekende windlakartefacten uit ons land binnen de toolkit van het Markkleebergien (180.000 BP) in te passen zijn. Foto: G.J. van Noort.

VUISTBIJL - WINDKANTER UIT DE SAHARA

Met hyaliet opgevulde vorstscheur in een stuk vuursteen. Op deze foto is duidelijk te zien dat het hyaliet zich over de scheur in de vuursteen heeft afgezet. Dit betekent dat de scheur al in de steen aanwezig was voordat het hyalietafzettingsproces een aanvang nam. Het hyalietoppervlak is hoogglanzend. Mogelijk dat er daardoor zolang vastgehouden wordt aan debenaming windlak. Blijkbaar tegen beter weten in, want in diverse publicaties van verschillende wetenschappers komen we beschrijvingen tegen van krassen die onder de windlak liggen. Dan kan windlak niets anders wezen dan het doorzichtige laagje hyaliet, het tegenovergestelde van abrasie. Foto: G.J. van Noort.

Alle teksten, behalve de citaten, in dit artikel Klaas Geertsma, evenals de foto's van de grote zwerfkei aan de Onnerweg in Haren en de foto van de denker van Rodin. Alle proeven G.J. van Noort. Bij deze nogmaals dank aan Harry Huisman voor zijn publiekelijke echtverklaring van Eemster na het debacle van het rapport Roebroeks.
Het krantenartikel over de sluiting van het Natuurmuseum Groningen is vrijelijk overgenomen uit Het Dagblad van het Noorden van 24 december 2007.

Naar het begin van de pagina.

DAGBLAD VAN HET NOORDEN 24 DECEMBER 2007

Op zaterdag 16-4-2005 was ik deelnemer aan een excursie georganiseerd door de Geologische vereniging Groningen, o.l.v. Harry Huisman. Zijn excursie bestond uit het bezoeken van diverse locaties in en om de stad Groningen om de verschillende veldkenmerken te bespreken. Zo bezochten we o.a. de Onnerpolder; de oude grens-eik nabij Lieveren; het Kleibos nabij Peize en de grote veldkei aan de Onnerweg te Haren. Met name de kei is een geliefd onderwerp van Huisman omdat op één kant van de kei een specifiek fenomeen zichtbaar is; abrasie. Abrasie wordt door hem uitgelegd als de grote schuurmachine van de wind beladen met zand en stof. Deze is zo sterk dat grote aan de oppervlakte liggende veldkeien er door afgeschuurd worden.

De grote kei van de Onnerweg had volgens Huisman plat op de grond gelegen. Heersende winden beladen met zand en stof hadden er lange tijd tegenaan geblazen. Dit had ervoor gezorgd dat de grond onder de kei gedeeltelijk weggeblazen werd en dat de meegevoerde zandkorrels nu geen kant meer opkonden en als in een centrifuge gingen ronddraaien. Met als gevolg het extra zandstralen, abraderen, van de onderkant van kei. Hierdoor ontstond een holte direct achter de rand waarmee de kei op de grond lag. Het oppervlak ziet er sterk verweerd uit. Zichtbaar is dat de zachtere delen in de steen weg geblazen zijn.

Merkwaardig is dat binnen de archeologische wetenschap de windbeladen met zand en stof nog steeds als de veroorzaker gezien wordt van het verschijnsel windlak. Het meest recente voorbeeld daarvan is een tweetal foto's van een windkanter op de website @archeforum, met het volgende bijschrift: Het verwerings verschijnsel windlak komt niet alleen op Neandertaler-werktuigen voor, maar ook op windkanters. Vooral op fijnkorrelige exemplaren is deze specifieke glans te zien. Dit is één van de vele aanwijzingen dat 'windlak' ontstaan is door wind-zand polijsting. Waarschijnlijk vond dit proces plaats tijdens de laatste ijstijd. De foto's staan niet meer op de site. Opmerking: Alle vlakken zijn door de wind beladen met zand en stof ontstaan. Het is opvallend dat de glans alleen voorkomt op het uitgelichte vlak. Waar is de glans op de andere vlakken?

Op de windkanter van @rcheoforum, de foto staat niet meer op de site, uit de Gesteentetuin Schokland, is hetzelfde verweringsver-schijnsel te zien als op de grote kei aan de Onnerweg te Haren; abrasie. De zgn. windlak is alleen aanwezig op de hogere delen. Dit is in tegenstelling met hyaliet dat ook in holten en kieren aanwezig is, omdat het als een gel afgezet is.

Op internet zijn een aantal aanwijzingen te vinden over wat abrasie precies is en doet. Op de website van het Natuur Museum Naturalis te Leiden staat de volgende beschrijvingen van het begrip abrasie: Met zand beladen wind schuurt stenen af. a: Fijn zand en stof worden door de wind meegevoerd. b: Zandkorrels worden meestal sprongsgewijs verplaatst. De korrels botsen tegen grotere stenen of rotsen, waardoor deze gezandstraald worden.

WINDLAK = HYALIET!

Op de website www.geo.uu.nl staat het volgende over de Amerikaanse stofstormen uit de dertiger jaren: In de dertiger jaren van de vorige eeuw werden grote delen van de Verenigde Staten langdurig en vaak geteisterd door hevige stofstormen (dust bowls). Dat had te maken met een periode van langdurige droogte en hoge temperaturen. De stofstormen waren vaak zo hevig dat hele dorpen aan het oog werden onttrokken. De schade was vaak enorm; zo zouden de houten telefoonpalen die nog steeds overal op hetAmerikaanse platteland langs de wegen staan, zo sterk door het zand worden geabradeerd, dat ze zouden omvallen. Daarom werden ze tegen de abrasie beschermd door een metalen omhulling aan hun onderzijde aan te brengen.

Op de website van de Haagse geologische vereniging staat bij excursies-gooise bodem het volgende over windkanters: Windkanters en wat hen zo bijzonder maakt. Windkanters of -keien zijn stenen met één of meer gladde vlakken, begrensd door scherpe rechte of gegolfde ribben. Ze werden in deze vorm geslepen en gepolijst door met zand beladen wind (denk aan zandstralen). Ze hebben door het polijsten vaak een ‘vettige’ glans, windlak genoemd. Windkeien komen voor op Pleistocene zandgronden ten noorden van de Rijn en in grote delen van Noord-Brabant en Limburg. Men treft ze plaatselijk in concentraties aan en zelden geïsoleerd. De meeste windkeien werden gevormd tijdens het Weichselien-glaciaal....Zand- en stofstormen bewerkten deze keien, er als het ware ‘facetten’ aan slijpend.

Het is een boeiend verslag waarbinnen ook het begrip windlak een plaats heeft gekregen. Maar het is ook een goed voorbeeld van navolging zonder zelf onderzoek te hebben gedaan of die bewering over windlak wel klopt. Deze navolging is echter algemeen binnen de geologische wereld en dat is vreemd, want het is een door het geologische proces abrasie veroorzaakt kenmerk en het zou binnen die tak van wetenschap wel eens onderzocht mogen worden. Maar mogelijk wordt er gedacht dat archeologen het onderzocht hebben en dat die gelijk hebben. Die gedachte lijkt immers nu weer gesteund te worden door de bewering van archeologen op @rcheoforum.

De glans die op de @rcheoforumwinkanter zichtbaar is, is geen hyaliet. De @rcheoforum redactie suggereert: vooral op fijnkorrelige exemplaren is deze specifieke glans te zien. Dit is één van de vele aanwijzingen dat windlak ontstaan is door wind-zand polijsting.

Een verwijzing naar waar meer exemplaren met dezelfde glans te zien zijn ontbreekt en ook ontbreekt de hint waar die vele aanwijzingen te vinden zijn waar wind beladen met zand en stof de bewezen veroorzaker van windlak wordt genoemd. Op internet staan vele foto's van windkanters, tik maar eens 'windkanter' in bij google. Geen enkele heeft een hoogglans. De APAN heeft herhaaldelijk gewezen op de windkanters. Binnen de APAN is er geen enkele bekend met windlak, wat indien het wel aanwezig zou zijn in feite het doorzichtige afzettingslaagje hyaliet is. De APAN heeft te kennen gegeven dat het voor de @rcheoforumredactie zinvol zou kunnen zijn dat het eens de oppervlakken van een aantal windkanters gaat bestuderen. En zich gaat afvragen waar de glimmer is en waar de soms grote verdwenen delen zijn gebleven die er door de wind beladen met zand en stof in de koudste fase van de Weichsel-ijstijd, het windlaktijdperk (30.000 tot 40.000 geleden) vanaf zijn gezandstraald. Misschien kunnen die terug gevonden worden tussen de zandkorrels. Wie weet hoeveel volledig weg gezandstraalde vuistbijlen daar eveneens tussen terecht zijn gekomen. Zo bekeken is ook verklaard waarom er in ons land maar zo’n klein aantal terug gevonden is. Helaas nog nooit eentje met een afgevlakte zijkant in een karakteristieke hoek, gelijk als bij windkanters..... of toch wel?

Hyaliet op vuursteen. (Vergroting x250). De hyaliet-glas-afzetting is een patina die als het ware over het oppervlak lijkt te zijn heen gevloeid. Dit is te zien op het grensvlak tussen het ruwe verse vuursteenoppervlak op het onderste deel van de foto en het gladde bovendeel met hyaliet. Het onderste deel is een vers breukvlak. De vuursteen is op dat vlak pokdalig en bestaat uit heuvels en dalen. Het hyaliet, dat in feite ontstaan is uit een gel, was tijdens het afzetten vloeibaar. Het heeft de dalen op het bovenste (ooit verse) vlak opgevuld en reikt zelfs over de toppen heen. Na indrogen ontstond er een vlak glad oppervlak met een hoogglans. Hyaliet is dus een afzetting en de dikte ervan is te meten met een microscoop. Dit is precies tegenovergesteld aan 'abrasie'. In dat proces wordt het oppervlak gebombardeerd metkleine steentjes ter grootte van zandkorrels en daardoor verdwijnt er materiaal, er ontstaat geen hoogglans (zie het effect daarvan hier direct onder). Foto: G.J. van Noort.

Abrasieproef met een vuursteen op het strand van Texel. Doormidden gebroken stuk hyaliet-vuursteen'. Het stuk rechts werd door Van Noort aan een strandpaal bevestigd op het strand van Texel en aan de wind beladen met zand en stof bloot gesteld. In dit abrasieproces was het hyaliet al na drie weken verdwenen en was de breukrand sterk afgerond. Abrasie is een vernietigend natuurverschijnsel.

Deze proef van Govert van Noort is algemeen bekend binnen de archeologische wereld van Nederland. Als eerste werd de proef besproken en de foto getoond in APAN/EXTERN 6 uit 1997. Daarna op apanarcheo in de file actueel en in 2006 werd de foto, met bijschrift, geplaatst bij het APANbetoog 'De zaak Vermaning en het einde van een vakgebied' in het tijdschrift Archeobrief 2006-1 van de SNA. De foto illustreert daar het kernpunt van het betoog. Dit tijdschrift wordt omschreven als het vakblad van archeologisch Nederland. In APAN/EXTERN 12 uit 2006 werd dit betoog ook opgenomen.

Het linkerdeel van de steen heeft nog het oude met 'windlak en putjes' oppervlak behouden. Deze zou volgens diverse archeologen ontstaan zijn doordat de steen ergens in deWeichselijstijd in de wind beladen met zand en stof gelegen zou hebben. Deze helft van de steen is dus aan precies hetzelfde proces bloot gesteld geweest als de rechterhelft op het strand van Texel. Indien de aanhangers van de windlaktheorie gelijk zouden hebben, dan zou de rechterhelft onveranderd gebleven moeten zijn. Dat was dus niet het geval, al na drie weken begon het hyaliet te verdwijnen. Abrasie is van alle tijden en daarom is het uitgesloten dat wind beladen met zand en of stof de veroorzaker is van het hoogglansbegrip windlak.

Alle bekende windlakartefacten van Nederland en m.n.v. de stuwwal bij Mander en van het Drents keileemplateau zouden volgens de archeologen op dezelfde wijze als de rechterhelft van de steen van Texel en de windkanters en de grote kei van de Onnerweg in Haren, bloot gestaan hebben aan de abrasiekrachten van de wind beladen met zand en stof, het is daarom met al die kennis die nu voorhanden is, moeilijk te begrijpen waarom de @rcheoforumredactie het fenomeen abrasie blijft verruilen voor windlak en het daarmee gelijk stelt aan het mineraal hyaliet.

ABRASIEPROEF OP HET STRAND VAN TEXEL
Kant 2. Deze kant heeft niet in de wind beladen met zand en of stof gelegen. De afslagnegatieven zijn nog duidelijk zichtbaar. Het oppervlak is bedekt met een witte patina, behalve langs de gehele bovenrand en rondom de punt links. Hier lijkt eenzelfde soort abrasie aanwezig als op de grote staande steen van de Onnerweg in Haren. De bijl lag met dit vlak op de grond en de wind beladen met zand en of stof heeft er langs de bovenrand net nog onder kunnen blazen en daardoor heeft er plaatselijk geen witte patina af kunnen zetten, of die werd door abrasie weg geslagen. Foto's overgenomen van ebay.
Foto boven. Abrasie op kwarts-windkanter. Vergroting (x250) van het oppervlak van een kwarts-windkanter. Het werd gebombardeerd (geabradeerd) door zandkorrels, die door de wind getransporteerd werden. Die korrels bestonden voor het grootste deel ook uit kwarts. Het oppervlak werd stukgeslagen en is ruw, dit is in grote tegenstelling met het hyalietoppervlak op de vuursteen van de foto hier direct boven, dat is glad en vlak. De vergroting daarvan is ook x250. Kwarts en vuursteen zijn even harde materialen, maar beide zijn niet bestand tegen de krachten van de wind-zandstraal-machine. Onderzoek en foto G.J. van Noort.

Hyaliet of Müllers glas, is een kleurloze doorzichtige variëteit van opaal met een hoge glans, sterk gelijkend op gesmolten glas. Het komt ook los voor als 'knollen'. Het prachtstuk op de foto, liggend op een afbeelding van de Denker van Rodin, komt uit de mineralencollectie van Kees Evenblij. Een uitsnede van deze foto is gebruikt voor de omslag van APAN/EXTERN 12. De combinatie moet symbolisch gezien worden als het denken over het feit dat de verkeerde interpretatie van 'windlak' voor zoveel ellende heeft gezorgd. Het officiële universitaire vakgebied Midden Paleo en ouder, van na het Jong Paleolithicum, is er door geamputeerd. Met als gevolg dat enkele grote in situ vondstcomplexen (Hoogersmilde, Hijken en Eemster) vals verklaard werden en een ander complex (Schuilenburg) incerto facto (onzeker hoe ontstaan) verklaard werd.

GIA - BAI. Niet lang geleden heette het Groninger Instituut voor Archeologie kortweg het BAI en dat stond voor Biologisch Archeologisch Instituut. Dat was een heel wat betere benaming, want 'biologie', de leer van de levende wezens in de ruimste zin, dus van plant en dier, is onlosmakelijk verbonden met het gedrag van de mens in tijd en ruimte. In de prehistorie denken we zo nu en dan dat de mens de 'balans' niet verstoorde tussen de soorten en het betreffende klimaat waarin ze samen leefden. Ook natuurvolkeren lijken over het algemeen die weg te volgen. De Hopi-indianen van Noord Amerika, met hun oeroude kennis, hebben een zinnebeeld daarvoor, een cirkel met een kruis erin en met in de zo verkregen vier parten telkens een kleinere cirkel. De betekenis is ongeveer als volgt: De grote cirkel staat voor de aarde, het kruis voor de vier windrichtingen en de vier kleine cirkels staan voor de vier rassen die de aarde bewonen, elk in hun eigen gebied. En wanneer ze de wetten van de Natuur, in hun woorden de Schepper, volgen houden ze samen de aarde in balans. Dit teken wordt echter ook op vele andere plaatsen op de wereld gevonden. Een deel van de Hopi leeft volgens strikte 'wetten' om die balans te handhaven. Al hun rituelen zijn er op gericht. Bij ons is dat wel anders, maar toch streven wij ook naar een balans, anders gaat het mis. Iedereen kent wel de film Koyaanisqaatsi (1983), dat in de Hopitaal 'leven uit balans' betekent.

Natuuroderzoekers zien vele negatieve veranderingen optreden en zoeken naar verbeteringen. O.a. in de Natuurmusea wordt er middels exposities over bericht. En omdat Groningen een universiteitsstad is waren er binnen haar grenzen naast het Natuurmuseum ook een Volkenkundig Museum, een Anatomisch Museum en een botanische tuin, de Hortus. De Hortus werd verplaatst naar Haren en wordt continue met sluiting bedreigd. De andere drie musea zijn gesloten. Wanneer de Hortus ook nog dicht gaat is er een einde aan een tijdperk gekomen. Het werk van de grote ontdekkers en onderzoekers als Alexander von Humbolt, Nicolaes Tulp en Charles Darwin krijgt geen waardige voortzetting meer. Waar kan de Groninger zijn kennis over de Natuur, de Mens en het verleden-naar-heden-naar-toekomst nog aanvullen en het zijn kinderen bijbrengen?

Er zijn nog twee andere geologische benamingen die erosie door wind en zand van steen beschrijven nl:

Corrasie:
Bij corrasie wordt vast gesteente door de continue blootstelling aan zandtransporterende wind afgeschuurd. Hierdoor kan het gesteente een opmerkelijke vorm verkrijgen Het afslijpen van vast gesteente door stromend water valt eveneens onder corrasie.
Deflatie:
erosie door wind en zand.

Klik op de onderstreepte woorden voor neveninformatie.

Abrasieproef met een zandstraalmachine op een hyalietvuursteen. In deze proef heeft Van Noort aangetoond dat op het oorspronkelijke oppervlak van de vuursteen parabolische barsten of scheurtjes aanwezig waren voordat het hyaliet er overheen afgezet werd. De barsten of scheurtjes werden al na enkele minuten zandstralen, met zand van de Hooge Berg van Texel, duidelijk zichtbaar. Het centrale deel werd het langst gezandstraald, daar is het oppervlak dof geworden. In totaal werd er 7 minuten gezandstraald op een afstand van 5 cm met een druk van 1,5 à 2 atmosfeer. Het centrum kreeg de meeste inslagen van de zandkorrels te verduren en is dan ook dof geworden, omdat daar het hyaliet volledig verdwenen is. Indien Van Noort daar langer mee was blijven doorgaan dan waren deze krassen ook weg geblazen en had het oppervlak er netzo uitgezien als dat van het oppervlak van de kwarts-windkanter op de foto hier direct naast. Foto: G.J. van Noort.

Op dit filmpje op youtube is te zien hoe de donkere verf op metaal door zandstralen verdwijnt als sneeuw voor de zon. Het is een agressief proces. Ook stenen zijn er niet tegen bestand. Ze worden er zelfs door vervormd tot windkanters.

terug naar: Neanderthalers bij Balloo? - detail kaart
Hyaliet op vuursteen is een afzetting met hoogglans
In de zandstraalproef op het
strand van Texel was binnen drie weken het hyaliet op het afgebroken stuk steen verdwenen
NIEUWE WEBSITE: WWW. KIJKEENSOMLAAG.NL
De website www.kijeensomlaag.nl is nog niet lang actief op het net. Op de site wordt uitgebreid ingegaan op de geologie van Noord-Nederland. In diverse items wordt alles uitgelegd over het onstaan van deze regio. Alle ijstijden passeren de revue. Het zwerfsteenvoorkomen hoort zo bij dit landschap dat het dan ook een hoofdmotief is van de site. Vele steensoorten worden getoond en besproken, van gewone steen tot windkanter. En dan komt ook automatisch windlak, opaal en chalcedoon ter sprake. De auteur van deze fraaie site, Harry Huisman, heeft hierover duidelijke meningen en die zijn te vinden in het hoofdstuk 'IJstijdsporen op zwerfstenen' en in het artikel 'Gebombardeerd door zandkorrels'.

Harry Huisman is van mening dat windlak niet zomaar afgedaan kan worden als 'onstaan door wind en zand'. Hoewel hij dit proces nog wel een rol laat spelen bij het onstaan van een zekere glans, is het bij hem niet meer het enige zichtbare op vuurstenen, hij laat ook een afzetting van chalcedoon zien en noemt ook opaal als een afzetting. Daarmee zit hij op de lijn van de onderzoeken van Govert van Noort. Dat is verheugend te noemen, want Harry Huisman is niet de eerste de beste. De opaal-afzetting noemt hij 'Windlak-plus'.

Hij schrijft daarover:


Windlak plus. Vuurstenen vertonen door hun dichte glasachtige structuur windlak effecten het mooist. Ze zien er uit alsof ze gelakt zijn. Sommige vuurstenen bezitten echter zo'n sterke glans dat het lijkt alsof ze echt zijn gevernist. De sterke glans hier is niet alleen veroorzaakt door botsende zand- en stofkorrels. Hier was ook een ander proces werkzaam. In droge aride klimaatsomstandig-heden gaat het onder bepaalde voorwaarden kiezel (SiO2) in oplossing. Vuursteen bestaat uit een innig mengsel van opaal, chalcedoon en kwarts, alledrie vormen van kiezel. Opaal gaat het makkelijkst in oplossing en migreert met het grondwater mee. Afhankelijk van de omstandigheden zet het opgeloste opaal zich af op het oppervlak van andere stenen, waaronder ook vuursteen. Het is net alsof de steentjes overdekt zijn geraakt met een 'glaslaagje'.
Op verschillende plaatsen in Friesland, Overijssel en Drenthe zijn voorbeelden van dergelijke sterk glanzende vuurstenen gevonden, ook in geologisch veel oudere afzettingen (Formatie van Peize). Onderzoek aan een van de vondsten heeft onomstotelijk aangetoond dat er sprake is van de afzetting van een secundair laagje opaal over het totale oppervlak. Momenteel is in de archeologie een discussie gaande over windlakverschijnselen en de afzetting van opaal op vuursteen. Nader onderzoek zal duidelijk moeten maken in hoeverre windlak inderdaad windlak is en of er niet sprake is van een combinatie van effecten.


Hij schrijft ook nog over de rol van opaal:

De rol van opaal. Stenen in woestijnen bezitten meestal een fraaie glans. Door het ontbreken van vegetatie staan ze bloot aan wind, zand en stof. Vergelijkbare omstandigheden, maar dan koud heersten hier duizenden jaren lang ook in de tweede helft van het Weichselien. De windlak zoals we de glans noemen wijten we doorgaans aan de polijstende werking van talloze botsende zand- en stofkorrels. Toch is het nog maar de vraag of zij wel de voornaamste veroorzakers zijn voor de glans. Er is namelijk nog iets anders aan de hand. Als we de vuurstenen onder de loep nemen dan komen we iets merkwaardigs tegen. Vuursteen is een keihard schelpachtig brekend gesteente. De scherven hebben vlijmscherpe randen. Dat was de prehistorische mens natuurlijk ook opgevallen, vandaar dat vuursteen in onze streken de belangrijkste grondstof was voor een grote serie gereedschappen. Vuursteen is bijzonder fijnkorrelig – sommige soorten doen zelfs glasachtig aan. Het gesteente bestaat vrijwel helemaal uit kiezelzuur (SiO2) dat in een paar vormen het gesteente samenstelt: opaal, chalcedoon en kwarts. Opaal is de amorfe vorm van kiezelzuur, d.w.z. het bezit geen kristalstructuur. Je kunt het vergelijken met glas dat eveneens geen kristalstructuur heeft. Opaal bevat tot zo’n 30% gebonden water. De watermoleculen zijn grotendeels aan het kiezelzuur gebonden waardoor ze niet zo makkelijk uit het mineraal verdwijnen. Chalcedoon is een zeer fijnkorrelige (cryptokristallijn) vezelige variëteit van kwarts. Het is iets minder hard dan kwarts zelf. Chalcedoon is heel bekend om zijn fraaie kleuren en gebande structuren. In de vorm van agaten komt het veel in bepaalde vulkanische gesteenten voor. Chalcedoon is een veel gebruikte siersteen. Chalcedoon komt in vuurstenen veel voor. En dan is er nog kwarts; eveneens erg fijnkorrelig. Het bijzondere van vuursteen is dat je de afzonderlijke vormen van kiezelzuur in vuursteen niet van elkaar kunt onderscheiden. Ze zijn heel innig met elkaar vermengd. Opaal is in tegenstelling tot beide andere vormen onder omstandigheden – vooral in droge koude klimaten – oplosbaar. Door zonlicht en/of droge vorst verliest vuursteen geleidelijk een deel van het gebonden water. Het opaal gaat daarbij onder volumevermindering over in chalcedoon of kwarts. Hierbij ontstaan er talrijke zeer kleine poriën. Als gevolg van lichtverstrooiing in deze poriën krijgt de buitenkant van de vuurstenen pleksgewijs een vaak witachtig of bijna transparant melkblauwe kleur. Dit kleurlaagje noemt men patina. Patina is dikwijls op prehistorische vuurstenen werktuigen aanwezig – sterker nog, het geldt vaak als bewijs van echtheid. Vuursteen verliest ook opaal door oplossing. Het opgeloste opaal zet zich onder bepaalde klimaatsomstandig-heden weer op andere stenen af. Ook kan het het dunne verweerde en poreus geworden oppervlak van vuurstenen a.h.w. impregneren. Het oppervlak gaat hierdoor glanzen. Het opaallaagje is in sommige gevallen heel duidelijk te zien. Bij een gerolde vuursteen die op de Holterberg in Overijssel is gevonden lijkt het net alsof de steen meermalen met glanslak is behandeld. Een vuursteenknol van Oudehaske in Friesland laat op een oud breukvlak de afzetting van chalcedoon duidelijk zien. Een klein deel van het oude breukvlak is mat , de rest is wasglanzend. De overgang tussen beide gedeelten wordt gevormd door een aantal afzetlijntjes van chalcedoon, net of het golfjes zijn. Er is momenteel een discussie gaande over wat dominanter is: 1) de windlak die door botsende zandkorrels is ontstaan en hoe deze zich aan het oppervlak van de stenen manifesteert en 2) is de glans de vorming van een heel dun laagje opaal dat als een soort vernis werkt? Misschien is het wel een combinatie van beide. Kortom, het laatste woord is hier nog lang niet over gezegd.


Op de site worden ook vele windklanters van verschillende steensoorten getoond en besproken. Windkanters komen niet overal voor, maar liggen geconcentreerd op specifieke plaatsen in het landschap. Huisman schrijft daarover:

Windkanters komen lang niet overal voor. Er zijn gebieden waar ze bij honderden te vinden zijn, naast streken waar je ze nooit zult aantreffen. Op plekken waar ze te vinden zijn, zijn ze meteen ook erg algemeen. Het lijkt soms wel of alle stenen daar ook windkanter zijn. Behalve in het zoëven genoemde Westerwolde (Sellingerbeetse) zijn ze met name op de noordoostelijke Veluwe, in de Woldbergen en in het Gooi veel te vinden. In Drente daarentegen zijn ze zeldzaam. Ik bezit een hele grote van rapakivigraniet van Emmen. Ook op het Balloërveld kom je ze maar zelden tegen.

Tot zover Harry Huisman. Enkele vragen kunnen niet uitblijven.
Vraag 1: Vuursteen is de steensoort bij uitstek waarop windlak te zien is. Waarom zijn er dan geen windkanters van deze steensoort?
Vraag 2: Windkanters liggen niet overal. Zwerfstenen liggen wel overal. Ook vuurstenen met windlak hebben een veel grotere verspreiding. Er was dus wind genoeg, gelet op het windlakvoorkomen op de vuurstenen, die om dit fenomeen verkregen te hebben duizenden jaren aan de oppervalkte moeten hebben gelegen (volgens de gangbare theorie). Hoe is het dan te verklaren dat de zwerfstenen op die locaties niet omgevormd zijn tot windkanters, bv op de vindplaats Assen Noord (Balloo)?

Lees hier: IJstijdsporen op zwerfstenen

Lees hier: Gebombardeerd door zandkorrels

Beide artikelen zijn verluchtigd met duidelijke foto's. Dit gaat op voor de hele site. Kortom de website www.kijkeensomlaag.nl is een aanwinst voor de Nederlandse geologie en archeologie. Liefhebbers van beide disciplines kunnen er veel waardevolle ondersteuning op vinden bij hun onderzoeken.
Harry Huisman geeft uitleg bij een van zijn favoriete objecten in Noord-Nederland, de grote zwefkei aan de Onnerweg in het Groningse Haren. Een beschrijving zoals door hem gegeven van de steen, is hogerop in dit artikel te vinden. Door een langdurige constante abrasie vanuit één richting, tijdens de koudste fase van het Weichselien, ontstonden op een zijkant van de kei de zogenaamde 'rillen', evenwijdig aan elkaar lopende groeven. In Duitsland worden deze stenen dan ook 'Rillensteine' genoemd (Grondboor en hamer, 1966).
EXCURSIE MET HARRY HUISMAN
OP 16 APRIL 2005
Harry Huisman demonstreert in de Onnerpolder dat het vrij eenvoudig is om op de moerassige poldergrond een kleine beving te veroorzaken.
Harry Huisman leunend op een grondboor. Met dit instument had hij even tevoren 'eetbare' klei losgemaakt in het Kleibos te Peize. Deze klei werd in de Middeleeuwen geëxploiteerd door de monniken uit Aduard voor het bakken van stenen, de zgn. 'kloostermoppen'.
Links naar alle artikelen en bijdragen op ApanArcheo, inclusief PDF-artikelen.

Over de APAN

Uitleg bij het APAN-vignet

APAN/EXTERN

Eemster, de vindplaats

APAN-onderzoeken

Tjerk Vermaning

Artefacten her-determinatie

Collectie Sigrid Wolff

Collectie Groot Obbink

Collectie Limburgs Museum

Collectie Albert Siebring


Harry Huisman de stenenman

Abrasie in museum Les Eysies

Neanderthaler in Fryslân

Moustérien in Europa

De bipoplair-techniek

48 Vuistbijlen uit de Noordzee

Pijl&Boog van Hardinxveld

Neanderthaler in Drenthe

Jadeitbijlen in Neolithicum

De paardenjagers-godin

Hyaliet is een afzetting

Schuilenburg Midden Paleo 1
Schuilenburg Midden Paleo 2
Schuilenburg Midden Paleo 3
Schuilenburg Midden Paleo 4
Schuilenburg Midden Paleo 5

West Runton 1.800.000 BP

Mammoet van Wezuperbrug

Film

Stenenzoeken in het post-Vermaning-tijdperk

Foto's van Noordelijk vers-MP

Micoquin - Leek 1
Micoquin - Leek 2
Micoquin - Leek 3

Drie Wâldgroepschaven

Schuilenburg snavelboor

Gieten MP-snavelboor

Gieten MP-holschaaf

MP-vuistbijl van Joldelund

Grootste MP-schaaf Friesland

Bipolair MP Friesland

PDF-artikelen

Van Hyaliet tot vers
Wilhelminaoord lezing GJ van Noort

Wat gebeurde er nou echt met de Neanderthalers?

APAN/EXTERN 11- Eemster waarheid in situ

Neolithisch depot van Ravenswoud

Brabantse Broddels 1

Archeobrief - APANbetoog

Brabantse Broddels 2

Open brief aan prof dr Louwe Kooijmans

Brabantse Broddels 3

Het Leiden-glaciaal in Nederland

MP-merkwaardigheden

Collectie Sigrid Wolff

Spitsschaaf Bemmel

Standvoetbekerbijltje Leek

De migratie van jagers/verzamelaars van
de Hamburgcultuur in de Noord-Europese
laagvlakte (13.000 - 11.000 BP)


Een rendierjagersvindplaats van de Ahrens-burgcultuur in de Zuidelijke Noordzee
Inclusief: Een sjamanentrommel uit 1737 als verklarend “woordenboek” voor 11.000 jaar oude tekens?

Ahrensburgtekens in het Laat Mesolithicum

IJstijdkunst en de Maanmythe

Spaubeek; van rolsteen tot slijpsteen. Onderzoek
van een oudpaleolithisch vondstcomplex


Gekerstende oude heilige plaatsen

Brabantse Broddels 4

Engelstalige PDFs

Over Jadeietbijlen in het Neolithicum
The big search for 'Green' started 5000 BC. The beginning of a new Era

Over het hoe en wat van de Neanderthalers
The effects of metabolic changes in pleistocene
hominids


Boekbesprekingen

Over het boek Scherpe stenen op mijn pad
De zwanenzang van professor H.T. Waterbolk:
een compositie in dissonanten

Over het boek Op zoek naar de Kelten. Nieuwe archeologische
ontdekkingen tussen Noordzee en Rijn
Op zoek naar de Kelten. Een boekbespreking

Over een spannend archeo-boek
Het Peruvium Project







Voor een foutloze weergave open ApanArcheo in Internet Explorer of Google Chrome

 

HARRY HUISMAN EN EEMSTER REVISITED

De sluiting van het Natuur Museum Groningen op 24 december 2007 kwam voor vele 'stadjers' hard aan en zeker voor Harry Huisman. Het is om reden van deze petroloog conservator dat we op 'apanarcheo' aandacht aan die sluiting besteden. We kennen hem immers van het onderzoek 'Eemster revisited' van het team Roebroeks.

Het Natuur Museum Groningen was ondenkbaar geweest zonder het werk van deze bevlogen man. In het tijdschrift Grondboor en Hamer van de Nederlandse Geologische Vereniging is hij een van de bekendste auteurs. In korte en lange artikelen deelt hij zijn kennis met iedereen, van jong tot oud. Hij is een absolute kenner van het Drents keileem plateau. In 2003 (nr. 3/4) publiceerde hij het artikel: 'Waarnemingen aan het Hondsrugsysteem in de provincies Drenthe en Groningen.. De inhoud van dit artikel brengt hij geregeld in de praktijk middels lezingen met aangekoppelde excursie in het veld. Tijdens deze trips leidt hij zijn toehoorders steevast langs de grote veldkei die staat bij het sportveld aan de Onnerweg te Haren, om een specifiek geologisch kenmerk aan de groep te tonen en te bespreken, nl. 'abrasie'.

Abrasie wordt dan door hem uitgelegd als de grote schuurmachine van de wind beladen met zand en stof. Deze is zo sterk dat grote aan de oppervlakte liggende veldkeien er zelfs door afgeschuurd worden. Als voorbeeld wijst hij dan op een rand van de kei aan de Onnerweg te Haren waarop dit fenomeen zichtbaar is (zie foto). Zie ook zijn artikel daarover in Grondboor en Hamer nr. 7 van 2007.

O.a. door zijn specifieke kennis van stenen van het Drents keileem plateau werd Huisman in 2004 door het team Roebroeks geraadpleegd in verband met het onderzoek van de vindplaats Eemster van Vermaning. Het team beweerde in hun rapport op pag. 108 over de op Eemster gebruikte vuursteen, dat: " de vuursteen duidelijk afwijkt van noordelijke vuursteen ... en het lijkt te gaan om silex die in (zuidelijke?) rivierafzettingen verzameld is, bijvoorbeeld de Formatie van Urk. Vindplaatsen van dergelijke vuursteen in Noord-Nederland zijn echter niet bekend". (Nieuwe Drentse Volksalmanak 2004 -pag. 106 - 111).

In de tekst van het rapport komen twee verwijzingen voor naar zgn. noten achterin het rapport. Bij de twee noten op pag. 110 komen we Harry Huisman tegen. Bij noot 1 staat: "H. Huisman verschafte ons waardevolle informatie over het voorkomen van zuidelijke vuursteen in noordelijk Nederland". En bij noot 2 staat: "Schrift. med. H. Huisman (Natuurmuseum Groningen), d.d. 24-05-2004".

Bij de noten moet er eigenlijk gelezen worden: "volgens H. Huisman komt er geen zuidelijke vuursteen voor in noordelijk Nederland", want dat was zijn schriftelijk antwoord geweest op schriftelijke vragen daarover van het team Roebroeks aan hem. Het team had er echter niet bij vermeld waarvoor het zijn expertise nodig had. Eemster werd niet genoemd en ze toonden hem ook geen vuursteenstukken afkomstig van die vindplaats.

Huisman heeft dan ook kort nadat het rapport Roebroeks verschenen was en nadat hij vuursteen van Eemster had gezien, zijn schriftelijke mededelingen aan het team Roebroeks, middels een artikel in het Dagblad van het Noorden en in een optreden voor tv Drenthe, publiekelijk ingetrokken. Want na het zien van artefacten van Eemster bleek hij de vuursteensoorten wel degelijk te kennen uit noordelijk Nederland en hij omschreef ze als Scandinavisch. De artefacten werden door hem om specifieke kenmerken die hij ook kende van stenen uit de keizanden van het Drents keileemplateau echt verklaard. Het precieze verslag daarvan staat in APAN/EXTERN 11, het 'Eemster waarheid in situ' nummer.

De APAN weet wat strijd is en we begrijpen dan ook de gevoelens van Harry Huisman. We hopen dat zijn kennis en inzet niet ook verloren zijn gegaan tegelijk met het sluiten van het Natuur Museum Groningen, maar dat we zijn naam zullen blijven tegenkomen binnen de noordelijke natuureducatie. Met de sluiting van het Natuurmuseum heeft de gemeenteraad van Groningen een einde gemaakt aan een lange traditie. En dat in een tijd waarin de hele mensheid dringend vraagt om natuurbehoud. Die natuur werd zo tasbaar gemaakt in het Natuurmuseum Groningen, maar het gebouw staat nu leeg en de gedachte daaraan roept een beeld op van een stuk kaalgeslagen oerbos.

In het Natuurmuseum Groningen werden ook artefacten uit de Steentijd getoond. Deze kwamen gedeeltelijk uit geschonken collecties, o.a. van wijlen Sjoerd van der Veer.

En over 'abrasie' vonden we een paar leuke foto's met vreemde bijschriften op de website @rcheoforum.

OVER HARRY HUISMAN, DE NATUURKRACHT 'ABRASIE' EN WINDLAK =HYALIET'


SLUITING NATUURMUSEUM GRONINGEN

©2008 APAN